Serene en dromerige sfeer in ‘Feldeinsamkeit’

De Dag van het Lied, verzorgd door Vrienden van het Lied, is een vast onderdeel van Internationaal Lied Festival Zeist, dat met zijn liedrecitals, masterclasses en allerlei muzikale activiteiten jaarlijks een echte aanrader is voor de enthousiaste liedvriend. Op zijn beurt is een terugkerend, en door het publiek zeer gewaardeerd onderdeel van deze dag, een lezing over een lied of liederen door musicoloog Dinant Krouwel.
photo: © Leo Samama

Dit jaar nam Dinant ons mee op een reis door noten en tekst van het lied Feldeinsamkeit (Sechs Lieder für eine tiefere Stimme op.86 nr. 2) van Johannes Brahms (1833-1897) op een gedicht van Hermann Allmers (1821-1902). De keuze voor het lied Feldeinsamkeit sloot mooi aan bij het festivalthema Terug naar de Natuur.

Allereerst maakte Dinant duidelijk dat er een wezenlijk onderscheid is tussen beide strofen van het gedicht. In de eerste strofe bevinden we ons op het open veld op aarde met een impressie van hoog gras en krekels, maar met de blik naar boven, naar de hemel gericht (verticaal). In de tweede strofe bevinden we ons tussen de witte wolken in het diepe hemelsblauw en zweven we in de oneindigheid (horizontaal). Bij Brahms zijn de twee coupletten duidelijk van elkaar gescheiden, maar zijn die muzikaal nauw met elkaar verbonden. Het verticale karakter vinden we aan het begin van het lied terug in de stijgende lijnen in zowel de pianobegeleiding als de zangstem.

Allmers laat in regel 3 de krekelgeluiden horen met i/r-klanken: Grillen, rings, umschwirrt. In groot contrast hiermee zijn de warme klanken van wundersam umwoben in regel 4. In de derde regel van het tweede couplet stokt het leestempo door de st-klanken in ist, längstand gestorben.

Een wezenlijke bouwsteen van de muziek is de tikkende tijd die wordt verbeeld door de basoctaven met gepuncteerd ritme. Vanaf regel 4 is de gepuncteerde bas niet zo prominent aanwezig en bij het herhaalde wundersam umwoben helemaal niet, ook geen achtsten en repeterende kwartnootakkoorden. De muziek klinkt tijdloos en weldadig en past bij de warme klanken van het gedicht. Dit geldt ook voor het tweede couplet. Naast het voortschrijden van de tijd zorgen de lange lijnen in de zangpartij en de kwartnootakkoorden in de rechterhand van de pianopartij voor een serene harmonie met de natuur, waarbij de tegelijk klinkende achtstenbeweging in dezelfde hand de verbinding legt tussen hemel en aarde.

Ook bij Brahms stokt de tijd in de zin mir ist als ob ich längst gestorben bin. Dinant lichtte hier het dalende motief toe dat Brahms vaker gebruikt wanneer er sprake is van de dood of het graf (een mooi voorbeeld hiervan is het tweede lied uit de Vier ernste Gesänge op. 121).

Ook een belangrijk muzikaal gegeven is de stijgende chromatiek die Brahms gebruikt in de zangpartij en de pianopartij. In het tweede couplet gebeurt daarmee iets bijzonders, want maat 22 is in zijn geheel een halve toon hoger dan maat 6. Door een subtiele harmonische wijziging brengt Brahms de luisteraar ongemerkt in een andere dimensie.

Dinant liet aan de vleugel nog diverse momenten in de compositie de revue passeren, we kunnen ze helaas niet allemaal benoemen, waar Brahms de tekst muzikaal illustreerde. Ook liet Dinant ons twee mooie opnamen van het lied horen, te weten: een opname van Hermann Prey met Leonard Hokanson en een late opname van Elly Ameling met Rudolf Jansen. Met name door deze laatste opname (weliswaar geen ‘tiefere stimme’) werden we meegenomen in een mooie serene en dromerige sfeer die recht doet aan het lied Feldeinsamkeit.

Tot slot brak Dinant nog een lans voor de dichter Hermann Allmers die tegenwoordig weinig waardering krijgt. Maar zonder dit gedicht zouden we een heel mooi lied in het liedrepertoire moeten missen! Uiteraard dankte het publiek Dinant voor zijn mooie uitleg bij dit prachtige lied en gedicht!

Guy Bischoff
member section Utrecht